Toveren met tijd, waarneming en vervreemding

In de muziek van Michel van der Aa (32) is vervreemding een vertrouwde component. De beelden bij zijn nieuwe kameropera One (2002) tonen een verdwaasde jonge vrouw. Bij schimmig kaarslicht knakt ze trefzeker takken in tweeën. In Oog (1995) wordt het spel van een celliste verzwolgen in haar eigen, op tape vastgelegde klankschimmen. In Wake (1997) spelen een drummer en een ‘drummende’ mimespeler een duet. Slechts de helft van alle roffels komt fysiek tot klinken, maar voor het geestesoor lijken óók de mimeroffels heel werkelijk.

Het oeuvre van Van der Aa is wel de muzikale evenknie genoemd van het werk van M.C. Escher. ‘Escher vervormt de werkelijkheid in beelden, ik doe dat in zekere zin óók, maar dan op mijn manier en in beelden en klanken’, erkent Van der Aa. ‘Tegenstellingen tussen wat werkelijk is en wat je waarneemt fascineren me. Het sculptuur When I am Pregnant (1992) van de Engelse beeldhouwer Anish Kapoor lijkt van voren bezien een blinde muur. Alleen van opzij zie je de buik. In alle eenvoud is dat een extreem dramatisch gegeven. In mijn muziek streef ik naar een vergelijkbaar soort dramatiek.’

De dramatische vondsten die aan Van der Aa’s muziek ten grondslag liggen, ontstaan meestal onder prozaïsche omstandigheden, vaak zelfs onder het inspirerende snorren van zijn elektrische tandenborstel. ‘Elk stuk begint als een visueel idee’, lacht Van der Aa. ‘Doorgaans is zo’n idee nogal theatraal, en op basis daarvan maak ik dan de compositorische bouwtekeningen. Ik vind het belangrijk vooraf te weten wat er in grote lijnen in een stuk te gebeuren staat, maar bij de invulling van dat skelet laat ik mezelf vrij. Uiteindelijk schrijf je toch wat je zelf wilt horen. In mijn geval zijn dat zuinig gecomponeerde stukken. Ik hou niet van muziek waarin talloze lagen materiaal over elkaar worden geschoven. Met een minimum aan materiaal kun je al zoveel bereiken! Mijn muziek moet direct zijn, mensen in het gezicht raken.’

In zijn met geluids- en beeldapparatuur volgepakte werkkamer naast de Amsterdamse Nieuwmarkt toont Van der Aa enkele spookachtige beelden uit zijn nieuwe kameropera One voor sopraan, video en soundtrack. Tijdens de eigenlijke theatervoorstelling zingt en acteert sopraan Barbara Hannigan in interactie met de vooraf vastgelegde beelden en de geluidsopnamen.

One, docu lady
Barbara Hannigan in ‘One’

‘De video is een beetje thriller-achtig, maar dat is maar één aspect van One‘, zegt Van der Aa. ‘Ik wilde een narratieve manier vinden om in muziektheater de obsessieve zoektocht van een vrouw naar zichzelf weer te geven. Maar waar het me hier in essentie omgaat is het in elkaar grijpen van beeld, band en de live zingende sopraan.’

De dialoog tussen mens en machine vormt een hoofdbestand van Van der Aa’s oeuvre. ‘Men omschrijft mij soms als een tape-componist, omdat ik in veel stukken gebruik maak van een soundtrack. Maar mijn muziek is nooit puur elektronisch. Componisten als Jan Boerman of Ton Bruynèl hebben fantastische stukken gecomponeerd, die interessant zijn voor thuis onder de koptelefoon. Maar ik kan me in een concertzaal niets afschuwelijkers voorstellen dan uren luisteren en staren naar een set geluidsboxen. Maar wanneer je je als sterveling probeert te meten aan een zo’n met één knop te activeren geluids – of video-opname, stel je je heel kwetsbaar op. Dat element keert in een groot aantal van mijn stukken terug.’

De elektronische component in Van der Aa’s muziek hangt nauw samen met zijn achtergrond. In zijn jeugd speelde hij als gitarist in bandjes. Vóór hij aan het Koninklijk Conservatorium Den Haag compositie ging studeren, voltooide hij daar eerst de opleiding muziekregistratie. ‘Ik nam mezelf niet serieus genoeg om meteen aan een studie compositie te beginnen’, zegt Van der Aa. ‘De studie muziekregistratie gaf me vier jaar tijd om analytisch met geluid bezig te zijn, mijn gehoor te trainen en met mijn neus in andermans partituren te turen. Toen ik eenmaal echt begon te componeren, wist ik daardoor erg goed wat ik wel en niet wilde. Dat maakte me als compositieleerling van Louis Andriessen, Gilius van Bergeijk en Diderik Wagenaar minder beïnvloedbaar, maar dat betekent niet dat mijn muziek wars is van stijlkenmerken van de Haagse componeerschool. Mijn voorkeur voor een zekere bondigheid in het gebruik van muzikaal materiaal is kenmerkend. En mijn muziek kan ook ‘echt Haags’ doorgieren en bonken, maar dat zijn secundaire kenmerken. De kwetsbare en poëtische kant die in veel van mijn stukken veel wezenlijker is, is weer helemaal niet typerend voor de Haagse school.’

Nadat Michel van der Aa in 1999 als eerste Nederlander sinds lange tijd de Gaudeamus Muziekprijs won voor zijn stuk Between (1997) stroomden de opdrachten binnen. ‘Ideeën te over, maar de werkdruk beviel me absoluut niet. Ik ben te perfectionistisch om dingen af te ronden wanneer ze nog niet naar mijn zin zijn. Het gevolg daarvan is dat mijn stukken ook onder hoge tijdsdruk altijd toch precies zo worden als ik wil. Uiteindelijk gaat dat ten koste van jezelf en – uiteindelijk – van de ideeën. Het leek me beter in een vroeg stadium zelf op de rem trappen.’
In 2002 nam hij een jaar ‘vrij’ voor studie aan de New York Film Academy. ‘Ik ontdekte dat het visuele aspect steeds belangrijker werd in mijn muziek, en dat wilde ik verder onderzoeken. Ik heb een jaar niet aan muziek gedacht en me gestort op het leren van de ambachtelijke kanten van het filmen – video, 16 mm, alles. Iedereen werkt tegenwoordig met video, maar er wordt een hoop afgerotzooid. Ik wilde het voor One goed doen. Als ik een ambacht niet tot in de finesses beheers, maak ik van een medium liever geen gebruik.’

Deze maand maakt One een tournee langs acht Nederlandse steden. Later dit jaar reist de productie naar de Music Biennale Zagreb, de Berliner Festspiele en podia in St. Petersburg en Brugge. Het gegeven van One- een vrouw die zichzelf volledig is kwijtgeraakt – sluit naadloos aan bij Van der Aa’s eerdere vocale composities Here [to be found] en Here [in circles], die beiden werden uitgevoerd door sopraan Barbara Hannigan – net als One nu.

In het 18 minuten durende Here [to be found], in 2001 door pers en publiek omarmd als het hoogtepunt van de prestigieuze Donaueschinger Musiktage, ontsluit een uitgebeend basismateriaal van tien akkoorden een wereld van opperste eenzaamheid. De tekst, die Van der Aa net als het libretto voor One zelf schreef, onthult de krochten van een getroebleerd brein. ‘Motionless I find myself on the ground. (…) Should I: Breathe the muddied night air? (…) Cage my myriad mind instantly?’ De begeleidende muziek wordt allengs neurotischer. Flarden klinken, gevolgd door nerveus gerammel. De sopraanstem neemt het op tegen haar vocale schaduwen op de band. Wat klinkt is verontrustend en ongrijpbaar als een terugwaarts gespeelde grammofoonplaat of een langzaam teruggespoeld cassettebandje.
Ondanks de zwarte teksten gaat de muziek een haast filmische, lyrische schoonheid niet uit de weg. Van der Aa: ‘ Je kunt drama, kwetsbaarheid of lelijkheid alleen oproepen als je het kunt afzetten tegen iets moois. Je hebt een referentie nodig. De tegenstelling tussen mooi en lelijk speel ik in mijn muziek vaak uit. Ik doorbreek schoonheid met lelijkheid. Letterlijk, en het liefst met een ontnuchterende klik. Later keert het mooie, het lyrische dan weer terug. Zo’n contrast werkt zeer theatraal.’

In toelichtende teksten omschrijft Van der Aa de muzikale momenten tussen twee van van die klikjes of knipjes als ‘luchtzakken’. ‘Het zijn een soort vacuümmomenten’, legt hij uit.

‘Ik zet de tijd stil en laat dan iets onverwachts gebeuren. Het is mijn manier van omgaan met polyfonie. In plaats van het simultaan laten klinken van verschillende, autonome stemmen, manipuleer ik de tijd. Dat is gewoon een technisch stijlmiddel. Het gevoel van vervreemding dat het bij de luisteraar teweegbrengt, is wat mij betreft een bijverschijnsel. Ik houd me wel bezig met het effect van mijn muziek op de luisteraar, maar van alle opgeroepen reacties is altijd maar een klein deel bewust zo bedoeld.’
‘Mijn muziek is autonoom, niet dienstbaar of sfeerbepalend. Filmmuziek zou ik nooit componeren. In een opera die ik binnenkort voor de Nederlandse Opera zal componeren, wil ik wel verder experimenteren met gelijktijdigheid tussen filmbeelden en wat er op het podium gebeurt. Het belangrijkste is dat elk thema de juiste vorm krijgt. Sommige onderwerpen schreeuwen om een visuele drager, andere moet je wel instrumentaal aanpakken.’

— Mischa Spel. NRC – Vrijdag 10 januari 2003