Een product van haar eigen eenzaamheid

Als een icoon licht ze op; een vrouw in het duister. Het raspende geluid van de knijpkat waarmee ze haar gezicht als in een kinderspookspel beschijnt, doet op het eerste gehoor nostalgisch aan. Maar losgeweekt uit de vertrouwde context worden het flikkerende lichtje en het obsessief ritmische geschuur van de dynamo opeens beklemmend en onheilspellend. Wie is die vrouw? Wat doet ze daar?

De kameropera One van componist Michel van der Aa (1970) zuigt de aandacht van de toeschouwer zonder omwegen naar en zelfs in de geesteswereld van één personage; de door sopraan Barbara Hannigan gezongen ‘one’, die zichzelf allerminst als een coherente ‘een’-heid ervaart. Ze verdrinkt in de vragen die voortdurend in haar duizendpotige brein opwellen en die ze aarzelend of opgejaagd voor zich uitzingt. Een antwoord of oplossing komt er niet.

One is in één woord beklemmend, mede door het bewust uitgebeende materiaal van zowel de muziek als de enscenering. Een vrouw, stoel en tafel, stapels takken, een houten kast vol glazen potjes en brandende kaarsen. Alledaagse rekwisieten, die in een theatrale context opeens een symbolische lading krijgen en vragen oproepen.

Dubbelzinnig en meervoudig is One in verscheidene opzichten; in de eerste plaats al omdat Van der Aa hier zelf zowel componist, librettist als regisseur is. In One zijn muziek, teksten en videobeelden dan ook volledig vervlochten. Het gegeven van een schizofrene vrouw die worstelt met haar omgeving, krijgt letterlijk en figuurlijk gestalte in een polyfone interactie tussen live-gezongen muziek, soundtrack en thrillerachtig videomateriaal.

Op de suspense van de beelden sluit het libretto van One aan, zonder dat de woorden veel over de voorgeschiedenis of drijfveren van de vrouw onthullen. De zinnen worden nauwelijks herkenbaar of verstaanbaar gezongen; in de zanglijnen zijn de zinnen opgesplitst in losse woorden, die zo letterlijk worden losgezongen uit hun normale betekeniskaders. Woorden brokkelen soms nog verder uitéén tot lettersequensen die van de uitvoerende een tongbrekende virtuositeit eisen. Van der Aa componeerde One dan ook als maatwerk voor de onalledaagse vocale mogelijkheden van sopraan Barbara Hannigan. Dat maakt de kameropera zelfs praktisch ‘one of a kind’: een opvoering met een andere zangeres dan Hannigan, die One tot nu toe in elf landen gestalte gaf, is nauwelijks voorstelbaar.

One - Barbara Hannigan, cu eyes
Barbara Hannigan

Al is het gebruikte materiaal in alle opzichten minimalistisch, One is maximaal dramatisch in muziek, handeling en bovenal de wisselwerking tussen beide. De lyriek van de zanglijnen stroomt niet vloeiend door, maar wordt onderbroken door knipgeluiden op soundtrack. Een centrale rol daarin speelt het zinnebeeldige geluid van een brekende tak. Nog afgezien van de beladenheid van het gebaar, genereert het breken van een tak een geluid dat tegelijkertijd zowel analoog als elektrisch klinkt. De tegenstelling tussen dat ‘gewone’ natuurgeluid en het ‘elektrische’ effect dat eruit voortkomt, is typerend voor de gelaagdheid in de werkelijkheid die van der Aa fascineert, en vervolgens tot onderwerp van zijn muziek maakt.

Met behulp van soundtrack en videobeelden meandert de tijdsas vloeibaar als in een droom tussen nu en verleden; tussen de tastbare werkelijkheid in ‘realtime’ en de ‘ingeblikte’ werkelijkheid op videoscherm. De stemmen in het hoofd van de vrouw worden door de soundtrack treffend weergegeven; soms als flardachtige echo’s van haar eigen zang, soms als schimmenkoor. Ook in de videobeelden speelt de vrouw zelf de hoofdrol. De live-zingende ‘one’ en haar video-alter ego maken elkaars zinnen af, zingen duetten, imiteren elkaar. Maar het spel tussen het live-personage en haar levende spiegelbeeld lost de eenzaamheid niet op. Integendeel: het virtuele schaduwpersonage maakt vooral akelig duidelijk dat de meervoudigheid die de vrouw ervaart, een product is van haar eigen eenzaamheid. Daaromheen plaatst een reeks documentair gefilmde monologen van oudere vrouwen een intrigerend kader. Allen vertellen over éénzelfde traumatische ervaring in het verleden. Maar hoe die ervaring zich verhoudt tot de getormenteerde vrouw die over het podium ijsbeert, obsessief takken in stukken breekt, zich als een foetus opvouwt onder haar schrijftafeltje? We komen het niet te weten.

Het medium video dat Van der Aa in One voor het eerst toepast, maakt de kameropera tot een scharnierpunt in zijn voortdurende onderzoekingen naar de wisselwerking tussen wat je ziet en wat je hoort, tussen wat is (live spel, mens) en wat was (beeld- of geluidsdrager, machine). Het is een gegeven dat Van der Aa verder uitwerkt in zijn latere opera After Life, en waarmee hij al in verschillende eerdere werken experimenteerde – met name in de Here trilogy, die als het instrumentaal complement van One kan worden beschouwd.

Maar ondanks de wezenlijke rol van video en ook soundtrack is One in de eerste plaats een intieme, poëtische en menselijke kameropera, waarin de geknakte eenzaamheid van het dramatisch-ik door de veelkoppige verschijningsvorm van haar alterego’s des te heviger aangrijpt. Het culmineert in een dramatisch slotbeeld dat – opnieuw – eerder vragen oproept dan beantwoord. Bewust, zegt Van der Aa zelf. ,,Ik vertel geen eenduidige verhalen.”

— Mischa Spel, Holland Festival program, maart 2006