Ik schrijf geen notenmuziek

Michel van der Aa Hij is 34 jaar, componist, Nederlander, en buitengewoon succesvol – zelfs in het buitenland. Een ongebruikelijke combinatie. In het internationale muziekleven speelt de nieuwe Nederlandse muziek, op het werk van zijn leraar Louis Andriessen na, geen rol van betekenis. Maar Michel van der Aa is dan ook geen gewone componist. ,,Ik schrijf niet in de eerste plaats notenmuziek.” Vorige week werd zijn opera One bekroond met de Matthijs Vermeulen Prijs. Een kind van deze tijd over zijn werk, zijn tijd, zijn tijdsbesef.

Waar de meeste Nederlandse componisten al in hun handen mogen knijpen als ze hun nieuwe stukken één keer horen, gaat nieuw werk van Michel van der Aa bijna vanzelfsprekend op herhaling. Nog geen twee maanden na de wereldpremière van zijn Second Self voor orkest en soundtrack vindt op tien december ook de Nederlandse vuurdoop van zijn jongste plaats. Even veelzeggend als de uitvoeringsfrequenties is de status van de podia waarop zijn werk tot klinken komt. De eerste uitvoering van Second Self werd gegeven in het kader van de fameuze Donaueschinger Musiktage, de tweede is het pièce de resistance van de Nederlandse Muziekdagen in Utrecht.

In Donaueschingen, met Darmstadt al een eeuwigheid het Mekka van de avantgarde, werd hij overigens niet voor het eerst gespeeld: hij debuteerde er als componist drie jaar geleden. Met gemengde gevoelens, die hem ook dit jaar niet hebben losgelaten: ,,Door het niveau van de uitgevoerde stukken, en de programmering. Zo Duits, zo weinig pan-Europees. Nog steeds dat Darmstadt-achtige geluid met al die Lachenmann-achtige figuren.” Hij valt er tussen wal en schip. ,,Voor Engeland en de Verenigde Staten ben ik te zwaar, voor Duitsland weer te licht. Ik zit in een asymptoot tussen die beide werelden.” Enfin, het zijn luxeproblemen. De meeste 34-jarigen zouden wenen van dankbaarheid. Donaueschingen!

Maar er is een groot verschil tussen de klankarchitectuur van Michel van der Aa en de muziek van vele anderen. Andere componisten schrijven strijkkwartetten en ensemblestukken, concerten voor piano en een min of meer gewoon orkest, soms een symfonie. Michel van der Aa is een multidisciplinair werkende conceptualist met een horizon die aanzienlijk verder reikt dan de geschreven noot.

One, Barbara Hannigan & Alter Ego
One, Barbara Hannigan

Die zich niet op zijn gemak voelt in de routineuze wereld van de concertzaal, waar muziek met de verlichting aan wordt uitgevoerd door musici die zich niets gelegen laten liggen aan de visuele kant van hun vertolkingskunst. ,,Als zeventig procent van wat je waarneemt binnenkomt via het oog, dan moet dus in de eerste plaats tijdens een uitvoering meteen het licht uit. Zodat je alles elimineert wat afleidt van wat je echt moet zien en horen. Zodat je zorgt dat er gekeken wordt. Zodat je zorgt dat de toeschouwer zich bewust wordt van de lichaamstaal van musici. In een orkestwerk hebben bijvoorbeeld de eerste strijkers een belangrijke theatrale rol.” Die ze kunnen versterken door hun motoriek af te stemmen op het karakter van een partituur, zodat hun zwoegen ook als visuele metafoor van de muziek plausibel wordt. ,,Als ik zie dat die mogelijkheid niet optimaal wordt benut, zal ik er wat van zeggen. Dat heb ik in Donaueschingen ook gedaan en de ervaring leert dat musici het van je accepteren als je maar goed genoeg uitlegt wat je bedoelt.”

Die theatrale component is bij Van der Aa iets van de laatste jaren. Voordat hij als componist steeds nadrukkelijker naar buitenmuzikale elementen greep, vestigde hij zijn reputatie met solo- en ensemblestukken waarin elektronische en akoestische middelen elkaar op een ongewone manier beïnvloeden. Ensemblefragmenten worden vastgelegd op een band die als een klankspoor de akoestische klankspiegel ontwricht met toekomstige of eerder gespeelde fragmenten uit de partituur, waardoor het lineaire tijdsverloop van de live gespeelde muziek wordt ondergraven door de simultane aanwezigheid van meerdere tijdslagen: verleden, heden en toekomst. Zijn polyfonie is geen polyfonie van stemmen maar van tijden.

,,Voordat ik aan een stuk begin”, zegt Van der Aa thuis in Amsterdam, ,,moet ik in één zin kunnen zeggen wat ik ermee wil.” En als het af is, moet het kunnen worden gehoord zoals hij het bedoeld heeft. Die ene zin is het idee. En niet noodzakelijkerwijs een muzikaal idee.

Soms komt een stuk als de abstracte voorstelling van twee tijdlijnen, die samenkomen en zich weer van elkaar verwijderen. Soms ziet hij voor zijn geestesoog een radeloze zangeres die wordt verpletterd door de overmacht van een orkest: de massa en de eenling. Soms hoort hij takken breken: een geluid, een tik, een geste. Daarmee begint het. De noten komen later. Ze zijn het vlees op het karkas van een beheersende gedachte.

Zo schreef hij de ensembletrilogie Above, Between, Attach, waarin de reguliere klankdimensies worden opgebroken door een elektronische vertekening van perspectief. Zo schreef hij Oog voor cello solo (1995), waarin de celloklank wordt vermalen door het parallelle klankuniversum op de band. Zo schreef hij in 1997 Wake, waarin een slagwerker zodanig in gesprek raakt met een ‘mimende’ collega dat de niet-klinkende noten even reëel lijken als de klinkende. ,,In Double, voor viool en piano, laat ik de pianist ook schijnbewegingen maken, waarop de violist moet reageren. Het hele communicatiemechanisme tussen de spelers wordt blootgelegd. Mijn werk gaat over conflicten, dialogen en de beleving daarvan door het individu.” Door de manier waarop Van der Aa het musiceren als proces ritualiseert, geven al die stukken aan waar zijn échte bestemming ligt: het theater.

Niet voor niets nam Van der Aa in 2002 een jaar verlof om aan de New York Film Academy een filmopleiding te kunnen volgen. Hij zag in dat muzikale expertise niet volstond voor een oeuvre waarin het visuele aspect steeds belangrijker werd. ,,Ik kon mijn theatrale ideeën niet meer in muziek alleen onderbrengen.” Met zijn multidisciplinaire opera One (2002) voor sopraan, videobeelden en soundtrack, met sopraan Barbara Hannigan in de hoofdrol, liet hij als componist, regisseur en librettist zien wat die verruiming van zijn horizon had opgeleverd: een scherp gevoel voor de onmiddellijke impact van het beeld.

In One raakt een van god en iedereen verlaten vrouw steeds dramatischer met zichzelf in de clinch. Ze wordt geschaduwd door videofragmenten waarin vijf vrouwen vertellen over een vage, maar belangrijke gebeurtenis in hun leven. Hun verhalen hebben iets met Hannigan te maken. Wát, dat blijft in eerste instantie onduidelijk. Maar glashelder zijn de vertwijfeling en de eenzaamheid van de protagoniste, en dat is waar het Van der Aa om was begonnen.

De combinatie van tijdloos mensendrama met een hightech-dramaturgie gaf One iets buitengewoon indringends, ook door de vastberaden concentratie op één thema: alleenzijn. Als proeve van onthechting is het een tijdsdocument, en het is niet uitgesloten dat het ook zo werd verstaan. Zijn Nederlandse beroepsbeoordelaars waren er vorig jaar bij de première in Frascati soms kapot van, zijn publiek niet minder. Je moet het gezien hebben om het te geloven, schreef de pers.

Anderen ploeteren. Van der Aa scoort. One reist nu van festival naar festival. Venetië, Belgrado, Zagreb, Parijs, Oslo, Berlijn. Een televisieregistratie is in de maak. Tot zijn verbazing. ,,De reacties op One hebben me zeer verrast. Vooral omdat ik bij het publiek na de première een bepaalde matheid waarnam. Ik had niet door dat het een soort verslagenheid was. Ik had een groot risico genomen door het zelf te regisseren en mezelf zo bloot te geven. De ontvangst had ook heel anders kunnen uitvallen.” Dat klinkt schuchter. Daar tegenover staat het zelfbewustzijn van de man die weet dat hij zijn kunst ook moet verkopen: ,,Ik heb totaal geen moeite met het ondernemerschap van het componeren. Als een stuk af is, vind ik dat je er alles voor moet doen om het uitgevoerd te krijgen. Zolang je maar nooit naar het publiek toe schrijft. Een stuk moet op een volledig eerlijke manier tot stand komen, zonder invloeden van buitenaf.”

Hoe komt het dat het werk van Van der Aa zo‘n weerklank vindt? Zijn muziek is helder en op een bevattelijke manier exact, maar gemakkelijk is anders. En het publiek voor hedendaagse muziek is niet groot. Natuurlijk, met zijn theaterwerk vergroot hij zijn bereik. Maar dat verklaart niet alles. Van belang is dit: hij is een mediale componist in een mediaal tijdperk. Hij goochelt met waarneming en tijdsbeleving, met de chaotische veelvuldigheid aan indrukken waaraan de hedendaagse mens wordt blootgesteld. Die kijkt dagelijks tv, verdwaalt op internet en weet hoe moeilijk daar de grens te trekken is tussen de chaos en een orde in de hoogste graad, waarschijnlijk net als de sopraan in One. En hij is eenzaam, net als zij. Van der Aa geeft die vereenzaming vorm met dezelfde technologische middelen die eenzaamheid veroorzaken. En omdat de muziek die boodschap niet verdoezelt maar beklemtoont raakt zijn taal een snaar die anderen minder behendig in beweging krijgen. Zit het zo?, vraag ik Van der Aa. ,,Het zou mijn antwoord kunnen zijn ja. Ik ben op zich niet eenzaam, maar de eenzaamheid is wel een fenomeen dat ik als componist goed ken. Je bent met iets bezig, maar je kunt er met niemand over praten. Het brengt je in een isolement dat groter wordt naarmate je verder doordringt in wat je maakt.” Dan wordt contact, de wens gehoord te worden, ook in menselijke zin een dringende behoefte.

Michel van der AaMichel van der Aa

,,Je ziet het overigens bij meer componisten van mijn generatie. Dat wordt geprobeerd een brug te slaan tussen de muziek die we maken en de wereld waarin we leven.” Een voordeel van een internationaal bereik is dat je nog eens iemand tegenkomt. Rond leven en oeuvre van Van der Aa ontspon zich de afgelopen jaren een netwerk van sleutelfiguren in de nieuwe muziek-sector. In 1999 speelde hij zich als winnaar van de Gaudeamusprijs in de kijker bij SWR-redacteur Armin Köhler, artistieke baas van het roemruchte muziekfestival van Donaueschingen. Het leverde Van der Aa al snel zijn eerste opdracht op. Voor de Donaueschingen-editie 2001 schreef hij Here [to be found] voor kamerorkest en Barbara Hannigan, onderdeel van de Here trilogy waarin het net als in One draait om de relatie tussen een kwetsbare, eenzame sopraan en de haar omringende klankwereld. De première werd bijgewoond door vertegenwoordigers van de fameuze muziekuitgeverij Boosey & Hawkes, die Van der Aa niet lang daarna verzocht zijn werken uit te mogen geven. Wat ook geschiedde, waardoor Van der Aa zich nu bevindt in het gezelschap van zijn leraar Louis Andriessen en muziekcoryfeeën als John Adams, Béla Bartók, Aaron Copland, Arnold Schönberg, en Iannis Xenakis.

Verder nog nieuws? Voor 2006 schrijft Van der Aa in opdracht van De Nederlandse Opera een groot muziektheaterwerk. ,,Het gaat After Life heten, en wordt extremer dan wat ik tot nu toe gemaakt heb. Projecties zullen een nog grotere rol spelen dan in One. Dat heeft ook met het onderwerp te maken. Het stuk is gebaseerd op de gelijknamige film van de Japanse regisseur Kore-Eda; ik heb toestemming gekregen het filmscript te gebruiken voor mijn libretto.

After Life speelt zich af in het tussenstation tussen hemel en aarde. Het is de plaats waar de nieuwe doden binnenkomen, en waar ze binnen één week moeten beslissen wat de belangrijkste herinnering aan hun leven is. Die herinnering wordt verfilmd en in een klein zaaltje vertoond aan de dode van wie hij afkomstig is, waarna hij doormag naar de hemel. Ik zag de film en ik vond hem heel humanistisch; hij gaat over wat je werkelijk belangrijk vindt in het leven.” Bij Van der Aa is dat nogal veel: tot 2008 is hij zo goed als volgeboekt.

Misschien heeft zijn slagvaardigheid iets met zijn achtergrond te maken. Hij was geen keurig wonderkind dat angstaanjagend onmaatschappelijk Paganini en Tsjaikovski speelt achter gesloten deuren: van jongs af aan stond Van der Aa met beide benen in het leven. Als puber speelde hij gitaar in bandjes. Na zijn middelbare schooltijd ging hij helemaal volgens de regels van het spel wel keurig naar het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, maar niet om compositie te studeren. Hij volgde er een opleiding opnameregistratie, kwam er als klankregisseur in contact met ensembles die hij pas later als componist zou bedienen, en liep zich warm voor een leven in een wereld waar niet gedroomd en gestreken maar geknipt, geplakt en goed geregeld wordt. ,,Het Asko en het Schönberg Ensemble kwamen in Den Haag opnamen maken, en ik nam alleen nieuwe muziek op. Zo hebben ze mij daar leren kennen.” Maar de muziek werd steeds belangrijker. Hij raakte gefascineerd door Ligeti, vooral de latere, ‘die van de meer melodische stukken’: ,,En ik componeerde tijdens mijn opleiding al wel, als autodidact. Ik volgde instrumentatielessen. In het laatste jaar van mijn opleiding besloot ik compositie te gaan doen, terwijl ik al een redelijk succesvol opnamebedrijfje had.”

Zo belandde hij – weer in Den Haag – bij Louis Andriessen, Diderik Wagenaar en Gilius van Bergeijk. Hij kreeg er een tik mee van de Haagse School, waar muziek een kwestie is van harde klappen en de ideële keuze voor nuchtere, afstandelijke toon. ,,Dat heeft wel invloed op me gehad, in die zin dat een residu van de Haagse School in mijn muziek op de achtergrond hoorbaar is, al is bij mij de menselijke kant even belangrijk. Ik heb nog steeds een bepaalde strengheid in de omgang met mijn materiaal, maar hanteer het minder rigide dan de componisten uit de Haagse School, mijn werk is poëtischer.” Toch liet het knip- en plakwerk van zijn vorige leven Van der Aa ook als componist niet los. Zijn gave voor het manipuleren van geluid werd zijn artistieke raison d’être. ,,Als een beeld van polyfonie. Je hoort muziek klinken. Die zet je stil. En dan hoor je opeens dat al die tijd ook nog een andere muziek klonk. Via het gat dat je in de ene laag muziek gemaakt hebt zie je die andere laag. Het is meer dan een montagetechniek. Je creëert doorkijkjes.”

Wat hij ook graag doet: de akoestiek verknippen. Door galmstaarten te isoleren en op een andere plaats weer te laten opduiken. ,,Waardoor je zou kunnen zeggen dat het bij mij niet alleen over de tijd gaat maar ook over de ruimte.”

In traditioneel gecomponeerde muziek, nieuwe en oude, gaat het altijd om de noten, en zijn de grote vragen muzikale vragen. Hoe nieuw, hoe complex, hoe tonaal, hoe expressief, hoe luistervriendelijk. Bij Van der Aa staan andere parameters centraal. Tijd en ruimte. Normale tijd, gesplitste tijd. Volle ruimte of juist lege, eenzame. De eenling en het collectief. ,,Bij mij is het muzikale materiaal – de ritmiek, de akkoorden – niet de top van de pyramide.

De essentie van Here [to be found] is eenzaamheid. Mijn muziek is geen notenmuziek.”

En de technologie, hoe belangrijk is die? ,,Techniek spreekt me aan, maar het falen ervan nog meer. Als ik een technisch object gebruik, dan is er meestal iets mee aan de hand. En ik plaats techniek lijnrecht tegenover de mens. Het spanningsveld mens-machine spreekt me aan. Vaak worden bij mij ensembles of orkesten door de techniek zo opgedreven dat ze tegen een fysieke grens aanlopen, en ze zelf een oplossing moeten vinden voor de situatie waarin ze zijn terechtgekomen. In Second Self voor orkest en geluidsband maakt een strijkkwartet zich los van het strijkerskorps om het orkest met z’n eigen materiaal te confronteren, en het te dwingen daar op te reageren. Uiteindelijk wordt het orkest teruggeworpen op zichzelf. Daar gaat dat stuk over.” Temidden van de orkestleden zit tijdens de uitvoeringen iemand achter een laptop met techniek die juist niet mag falen: de Double-A Player die Van der Aa zelf ontwikkelde om het samenspel tussen musici en elektronica te versoepelen. ,,Het komt er op neer dat de computer uitrekent waar de 500 samples van Second Self moeten beginnen en waar ze eindigen. Degene aan de laptop volgt gewoon de slag van de dirigent, door een toets in te drukken wanneer de samples moeten klinken.” Feilloze techniek, maar wel techniek die in de geest van Van der Aa ten dienste staat van een ontwrichtingsmechanisme dat van doodgewone noten echte levenssvragen maakt: waarheen, waartoe?

— Bas van Putten. December 2004. De Groene Amsterdammer